Logo Logo

Christus is Koning Kerk
Protestantse Gemeente Slikkerveer

 Het Dillenburgplein op een mooie lentedag. Er heerst een gezellige drukte….auto’s rijden af en aan, stoepen vol met winkelend publiek, overstekend met volle tassen, maling aan de zebra’s….  Maar dan. Een te jonge brommerrijder, stoer op zijn puberlawaaikar, stuift in volle vaart de stoep op, rijdt daar een fiets ondersteboven, zigzagt met hoge snelheid tussen wandelaars en rollatorrijders door en komt met een zwiepende bocht voor de ingang van Albert Heijn tot stilstand.

Ik heb het allemaal zien gebeuren. Mijn tenen staan er krom van. Ik stap er op af. Aha ! zeg ik, onbedoeld toepasselijk. Kijk eens wat je doet, jongeman. Je doet gevaarlijk. En je rijdt  een fiets ondersteboven. Ga hem oprapen en kijk of er schade is! Maar ik zie een afgewende, verveelde blik. Gemopper. (Stom mens…) Nee! zeg ik. Je hoeft niet zo verveeld te kijken. Je zit fout, man.  (Nou ja, mán…?) -Je rijdt op de stoep, je brengt mensen in gevaar, je hebt misschien schade veroorzaakt. Maar ik heb je nummer  genoteerd. Pas op jij! Hij kijkt op zijn neus. (Een beetje). Maar… hij stapt af.

Nog namopperend over die jeugd van tegenwoordig ga ik naar huis en betreed mijn keuken. Daar hangt een spiegel. Ik kijk erin en zie een hoofd. Mijn hoofd. Een hoofd van die jeugd van lang geleden. Van die jeugd die zich wist te gedragen! Die niet eens een fiets had, laat staan een brommer! En zo praat ik nog een poosje door, daar in mijn eentje in die keuken tegen dat hoofd van die jeugd van lang geleden. Schromelijk gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel! mopper ik nog als ik koffie ga zetten.

Maar dan schiet mij iets te binnen.

Die rijksweg. Om precies te zijn de A12, bij het viaduct over de spoorlijn Utrecht–Rotterdam, een paar kilometer buiten Woerden. Ik was pas elf, de vriendjes waren ouder. Wat deden wij op die rijksweg? We liepen over die rijksweg, hoewel dat toen ook al niet mocht. Wij gingen op dat viaduct naar de treinen  kijken, die daar onder de A12 door rijden. Steentjes oprapen en naar die treinen gooien! Leuk! Spannend!

Ook auto’s vonden wij erg interessant, want gewone mensen hadden in die tijd geen auto. Wij gingen zwaaien naar die auto’s. Maar niemand zwaaide terug, dus dat verveelde spoedig. En toen bedachten we een nieuw spelletje: kijken wie de meeste lef had. Je kunt het je nu nog nauwelijks voorstellen, maar we déden het:  op het laatste moment voor een  auto oversteken.

Bestuurders die zich te pletter schrokken, die uit alle macht moesten remmen. Boze gezichten! En wij rennen naar de andere weghelft, waar zij niet konden komen. En lachen! Dat ging zo een poosje door.

En toen was daar ineens die motoragent. Zo´n grote, gelaarsde, wit-leren man. Hij stapte van die indrukwekkende motor af, wist ons feilloos te vinden en gaf ons een uitbrander die er niet om loog. We mochten nog van geluk spreken dat hij met de motor was, want vier kinderen meenemen was een beetje veel voor de duo. Maar wij dropen mopperend af, net als dat brommerjong op het Dillenburgplein. -Stomme agent…!

 

S.C.RIBENT.

Maar als die “stomme agent” er niet was geweest, hadden er zomaar ernstige ongelukken kunnen gebeuren, zowel met die automobilisten als met onszelf. Dan had ik dus dit stukje  nooit kunnen schrijven en had ik ook dat brommerjong nooit aan kunnen spreken. Zeg er ook iets van, als u zoiets ziet. HET MOET! Maar spreek vooral  rustig - NIET SCHREEUWEN OF SCHELDEN. Dat lokt agressie uit en de boodschap komt dan ook niet over.